|
Door gastauteur Max Wigt
Om goed beslagen het gladde ijs, wat dit onderwerp nu
éénmaal is, te betreden, besefte ik dat er vooraf het
nodige onderzoek moest worden gedaan. Ook een stukje
geschiedenis moest deel uitmaken van het verhaal, want
we hebben op het gebied van simmetjes in Nederland best
een rijke historie.
Echte dobberklassiekers zullen de revue passeren; zeker
die waar vandaag de dag nog bergen vis mee (kunnen)
worden gevangen.
Op basis van eigen ervaringen en aangevuld met allerlei
tips en trucs van topvissers uit het circuit is deze
serie van 3 artikelen geschreven. De vier elementen
waaruit een tuigje is opgebouwd zullen uitvoerig worden
beschreven. In het laatste deel zullen deze elementen
worden samengevoegd tot een aantal tuigjes waar een
ieder zijn visje mee kan vangen.
Historie
Mijn historie, voor wat betreft de hengelsport, begint
op een namiddag in september 1966 aan de oever van het
Verversingskanaal in Den Haag. Ik volgde daar in de
buurt sinds kort judolessen en vanaf het eerste moment
had het water een onweerstaanbare aantrekkingkracht op
me gehad. Die middag zat er een man te vissen.
Belangstellend bleef ik samen met een vriendje achter
hem staan kijken. Die was het na een half uurtje wel zat
en wilde naar huis, ook al omdat het half zes was
geweest. Ik had daar nog absoluut geen zin in en bleef
samen met de visser achter. De man ving enkele vissen en
zei tegen me dat er karper op zijn stek zat. Het zou nog
slechts een kwestie van tijd zijn voordat hij er één zou
haken.
Wist ik veel hoe een karper eruit zag, maar, zo
vervolgde hij
zijn verhaal, ze konden erg groot worden. Ik werd gegrepen door iets wat me nooit meer los zou
laten…………vissen. Het beeld van de steeds verder zakkende
zon, de bewegende dobber en al het leven op het
spiegelgladde wateroppervlak werd op die avond als een
onuitwisbare herinnering op mijn netvlies gegraveerd.
Toen ik bij achten (er was nog geen zomertijd) in de
schemer thuiskwam, waren mijn ouders witheet en zeer
ongerust. Een aantal dagen huisarrest was de sanctie,
maar ik had wel de middag van mijn leven gehad. Een week
later kocht ik voor amper 5 gulden mijn eerste simmetje
en een bamboe hengeltje van net 3 meter.
Nu is er in de 36 jaar die volgden heel wat veranderd;
Frans riet en bamboe werden glas en glas werd begin
jaren '80 carbon. Vooral de laatste 15 jaar hebben de
ontwikkelingen in de hengelsport elkaar razendsnel
opgevolgd. Eén ding is er in mijn ogen altijd hetzelfde
gebleven: om goed te leren vissen heb je een vaste
hengel en een tuigje nodig.
Dobbers
Ook daar heeft inherent aan het bovenstaande een enorme
ontwikkeling plaatsgevonden. In mijn jeugd waren er de
eerste Franse wedstrijdtuigjes met in onze ogen
afwijkende modellen dobbers en ze kostten toen al rond
de 3 gulden. Voorzien van dunner nylon, kleine haakjes
en stylloodjes waren ze “the top of the bill”.
De jaren vlogen voorbij en eind zeventiger jaren kwam ik
in aanraking met het wedstrijdvissen. In de zitmanden
van toen zaten pennetjes die ik nog niet had gezien. Bij
Henk Koster in Delft verkochten ze toen handgemaakte
wedstrijddobbers van ex-Nederlands kampioen Gerard
Rooswinkel. De zaak van Koster was de plaats waar het
eind jaren 70- begin jaren 80 in de regio, voor wat
betreft het wedstrijdcircuit, gebeurde. Als er iets
nieuws te melden was, bij Henk moest je zijn!!!!!
De winkel bestaat nog steeds maar de specifieke sfeer is
er helaas verdwenen. In Den Haag zelf worden bij Jan
Koolmoes tot op de dag van vandaag nog steeds de
befaamde “glaspennen” verkocht waarmee generaties
brasemvissers groot zijn geworden. Maar ook met de
pennetjes van Gerard valt nog altijd veel vis te vangen.
Bij de oudere generaties onder ons worden nog steeds de
befaamde Amsterdammers en Rotterdammers gebruikt. Ook ik
maak nog regelmatig uitstapjes naar een zelfgemaakt en
iets aangepast model van de laatstgenoemde dobber. Wat
is er nu mooier dan het pennetje tot aan het “kurk“ uit
het water te zien komen!!
Wat er niet te koop was, dat moest je zelf maar maken en
daarvoor bleek ik over enig talent te beschikken. Ik
maak nog steeds kleine series voor eigen gebruik.
Daarover in een later artikel beslist meer!!
Tegenwoordig is het aanbod van dobbers enorm; je zou
door de bomen het bekende bos niet meer kunnen zien. Als
ik alleen al de catalogi van Sensas en Colmic opensla
tel ik grofweg al 190 (!!) verschillende modellen. Een
aantal modellen van de twee dobbergiganten komt sterk
met elkaar overeen. Het is maar waar je voorkeur naar
uitgaat; het ziet er allemaal even fraai als functioneel
uit.
Toch is al dat moois simpelweg te verdelen in een
tweetal hoofdgroepen, namelijk dobbers voor stromend
water en dobbers voor niet stromend water.
Binnen deze hoofdgroepen wordt in de keuze van de te
gebruiken dobber weer rekening gehouden met de
(weer)omstandigheden en is de diepte waarop gevist gaat
worden eveneens een bepalende factor.
Waar men bij de keuze van een dobber op moet letten.
De vorm en de plaats van het drijflichaam, het
soortelijk gewicht en de verscheidenheid van de bij de
fabricage gebruikte materialen zijn bepalend voor het
vistechnische gedrag van de dobber in het water. Over
welke materialen hebben we het dan eigenlijk?
Het drijflichaam
Voor het drijflichaam wordt door de industrie
vanwege het grote drijfvermogen hoofdzakelijk balsahout
verwerkt. Het is een zachte houtsoort die bovendien zeer
licht en gemakkelijk te bewerken is. In (veel) mindere
mate maakt men ook gebruik van kunststof. Pennetjes met
een kurken drijflichaam kom je bijna niet meer tegen.
Bij dobbers voor stromend water is de mate van stroming
bepalend voor de exacte plaatsing van het drijflichaam.
Is er sprake van een harde stroming dan dient de dobber
voorzien te zijn van een hooggeplaatst drijflichaam, dat
de vorm van een peer of een druppel heeft. Een
peervormig drijflichaam wordt gebruikt wanneer de dobber
tijdens de drift moet worden afgeremd om zo een
aantrekkelijke aaspresentatie te krijgen. De plaatsing
van het oogje in het drijflichaam is bij deze visserij
eveneens van groot belang. De pen mag bij het
tegenhouden vooral niet uit het water komen, maar moet
zijn diepte vasthouden. Om dit te bewerkstelligen is het
oogje lager (soms zelfs halverwege) in het drijflichaam
bevestigd. Ook worden er door de fabrikanten
tegenwoordig speciale stroomdobbers met een afgeplat
drijflichaam en een eveneens platte antenne op de markt
gebracht. Hiermee kan zelfs op zeer zwaar stromend water
worden gevist; loodgewichten van meer dan 10 gram zijn
dan zeker geen uitzondering..

De “druppel” wordt meer gebruikt als er sprake is van
langzaam stromend water, maar kan ook met veel succes in
stilstaand water worden ingezet
Bij het vissen op stilstaand water zien we vooral de
modellen met een langer, slanker of ovaalvormig
drijflichaam.
De bovenantenne
De bovenantenne is in veel gevallen van kunststof
gemaakt. Glas, hout, riet en metaal worden minder
verwerkt. Een kennis van mij zweert echter voor de
bovenantennes van zijn zelfgemaakte dobbers bij pitriet.
Ik kan hem hierin moeilijk ongelijk geven gezien de
goede eigenschappen van dit materiaal (zeer licht in
gewicht en toch sterk). Een goede zichtbaarheid van de
antenne is een absolute must, ongeacht het materiaal
waarvan deze gemaakt is.
Kleur, dikte en lengte van de antenne zijn 3 zaken die
daar grote invloed op hebben. De fluorkleuren rood, geel
en oranje doen het uitstekend tegen een wat donkere
achtergrond terwijl zwart juist bij “vals” licht goed
zichtbaar is.
Bij een aantal modellen hebben de fabrikanten er
inmiddels voor gezorgd dat de antennes verwisselbaar
zijn. (bijvoorbeeld de Trio-serie van Drennan).
Kies, wanneer mogelijk voor het vissen in stilstaand
water voor een model met een zo dun mogelijke antenne.
De oppervlaktespanning van het water is zeker van
invloed op de gevoeligheid van de dobber. Een dunne
antenne zal, zeker bij een gladde waterspiegel, minder
last van deze weerstand hebben dan een dikkere.
|
TIP BIJ HET THEMA |
Om niet verwisselbare antennes qua kleur toch aan
wisselende omstandigheden aan te passen brengt
o.a. Drennan een assortiment van stukjes
siliconenslang in verschillende diameters en
kleuren op de markt.
De stukjes slang kunnen in de gewenste kleur over
de bestaande antenne worden schoven. |
De onderantenne
Voor de fabricage van de onderantenne is dun, al dan
niet, roestvrij verenstaal het meest gebruikte
materiaal. Maar ook glas en voornamelijk carbon komen in
toenemende mate voor. Tonkien als onderantenne zien we
echter (ten onrechte?) nauwelijks meer. Houdt er sterk
rekening mee dat zowel het gebruikte materiaal als de
lengte van de onderantenne bepalend zijn voor het gedrag
van je dobber in het water. Een dobber met een korte
onderantenne zal sneller gaan staan, terwijl een
exemplaar met een lange onderantenne stabieler is. Bij
dobbers voor stromend water zal men dus door de bank
genomen exemplaren met een lange(re) onderantenne
tegenkomen. Dat wil niet zeggen dat de pennetjes voor
niet stromende omstandigheden persé korte antennes
hebben. Ook hier kunnen ze aardig op lengte zijn.
Tot slot
Het voert te ver om alle modellen die alle fabrikanten
op de markt brengen te beschrijven. Met plezier verwijs
ik jullie voor redelijk compleet overzicht daarom naar
de vrij algemeen verkrijgbare catalogus van Sensas. Ook
de minder verkrijgbare catalogi van bijvoorbeeld Mondial
en Colmic staan boordevol prachtige dobbers. In de
Sensas Catalogus staat per
model een korte omschrijving
met betrekking tot de specificaties en
gebruiksdoeleinden van de desbetreffende dobber en zoals
ik al aanhaalde komt een aanzienlijk aantal modellen van
de verschillende fabrikanten met elkaar overeen. In
combinatie met de eerder opgesomde informatie is het nu
zeker mogelijk een goede keuze te maken. In het volgende
artikel zullen nylon, haken en lood uitgebreid de revue
passeren.
[Dit artikel is eerder
gepubliceerd in het magazine Witvis Totaal nummer 9.] |