|

BESCHRIJVING
De karper varieert in kleur, vorm en manier waarop de schubben aan het lijf zitten. De karper heeft vier tastdraden om de bek; twee grote bij de mondhoeken en twee kleinere op de bovenlip (bastaardvormen hebben twee baarddraden).
De 'wilde' karper heeft een lange, bol ingesneden, rugvin en 35 tot 40 schubben op de zijlijn. Er bestaat ook een wilde slanke geschubde variëteit (de boerenkarper).
Er zijn gekweekte karpervariëteiten, waarbij de schubben ontbreken (naaktkarper), met onregelmatig over het lijf voorkomende schubben van verschillend formaat (spiegelkarper), met grote rijen schubben op de zijlijn (rijenkarper) of met een opvallend goud/oranje kleur (goudkarper).
Daarnaast bestaan er in Nederland andere karperachtigen (zilverkarper, grootkopkarper, graskarper en kroeskarper), maar deze behoren niet tot de familie van de cyprinus carpio, maar tot een ander geslacht.
De karper is na ongeveer 3 tot 5 jaar geslachtsrijp. De paaitijd ligt tussen mei en juni. Alleen in zéér gunstige zomers zorgt de karper in Nederland voor nageslacht.
De jonge karper voedt zich voornamelijk met watervlooien. De oudere karper gaat over op insectenlarven, wormen, mosselen en kreeftachtigen. Karpers zijn echte bodemvissen.
De karper komt in vrijwel heel Nederland voor, doch heeft een voorkeur voor grotere wateren en langzaam stromende rivieren.
Een grote vis is een karper langer dan 78 centimeter en zwaarder dan 20 pond. De vis kan echter tot 120 centimeter groot en enkele tientallen jaren oud worden. Vangsten van meer dan 40 pond behoren tot de uitzonderingen.
De allergrootste karper, die ooit met de hengel is gevangen, stamt uit Frankrijk en woog 74 pond.
VANGSTPROGNOSE
   
|