Welkom bij Visserslatijn Nederland

Nu op Visserslatijn...

Barbeel
Hengel: preston dutchmaster 14’2 river Molen: shimano xtea 8000 Lijn: sanger anaconda 32/oo Lood: voerkorf 220 gram Powergum van M. Pietersma Onderlijn: gamakatsu flex 30/oo Haak: korum s5 nr 8
Lees meer ...


Leden Login

De eerste keer dat u inlogt, dient u dat twee keer achter elkaar te doen

Account aanmaken

Om in te loggen op deze website, dient u een account aan te maken.

U kunt het gratis account aanmaken op ons forum.

Wachtwoord vergeten

Uw nieuwe wachtwoord wordt per email naar u verzonden.

Letop! Thans buiten gebruik!

Visserslatijn Nederland

Stroomsnelheid

Een milieufactor die een belangrijke rol speelt bij de verspreiding van vissoorten, is de stroomsnelheid van het water. Vissen, die gewend zijn aan stilstaand water kunnen in (snel) stromend water geen stand houden doordat hun lichaamsvorm teveel weerstand in het water opwekt of doordat ze niet snel genoeg kunnen zwemmen.

 

MAXIMALE ZWEMSNELHEID
vissoort

maximale zwemsnelheid
(cm/sec)

 type

zalm 800 stroomminnende
vissoorten
forel 440
sneep 350
kopvoorn 270
barbeel 240
brasem 55-65 vissoorten van
het langzaam stromende of stilstaande water
alver 60
zeelt 45-50
snoek 45
karper 40

De stroomsnelheid van beken en rivieren is in hoofdzaak afhankelijk van de helling van het stroombed, het zogenaamde verval of verhang, en van de breedte en diepte. Hoe groter het verhang en hoe breder en dieper het stroombed, des te sneller stroomt het water. In de rechte stukken van een stroombed is de stroming het krachtigst aan het wateroppervlak en dan vooral in het midden van de stroom. Naar de bodem toe en oeverwaarts neemt de stroming af.

In een kronkelend (meanderend) bed is de stroming in de buitenbochten sterker dan in het midden van het bed. De stroming in het midden van het bed is echter op zijn beurt weer groter dan de stroming in de binnenbochten. Door obstakels en ondieptes (natuurlijk of kunstmatig) kunnen in het stroombed watervallen en stroomversnellingen ontstaan. Op de diepere gedeelten van het stroombed kan het water daarentegen bijna stilstaan.

Door deze grote verschillen in stroomsnelheden kunnen ook in een als snelstromend bekend staande beek of rivier vissen met diverse aanpassingen in lichaamsvorm voorkomen. In de West-Europese (snel)stromende wateren zijn over het algemeen drie groepen vissen te onderscheiden:

1. Kleinere vissoorten met een zijdelings afgeplat lichaam.
Deze vinden we in de langzaam stromende gedeelten, zoals in de diepe gedeelten voorbij een waterval of stroomversnelling (stroomkom) of in de rustige stroom van een binnenbocht.
Tot deze groep behoort o.a. de (dubbel) gestippelde alver (met afmetingen tot ca. 15 cm). Deze vissen zijn van de stroomminnende soorten het minst aangepast aan sterke stroomsnelheden.

2. Goede zwemmers met een torpedovormig lichaam
Tot deze groep vissen, die zich goed in sterke stromingen kunnen handhaven, behoren onder meer de zalm, de zeeforel, de barbeel en de kopvoorn.
De stroomminnende (rheofiele) vissoorten zijn door hun lichaamsvorm uitstekend geschikt om zich in snelle stromingen “staande” te houden of voort te bewegen. De beste zwemmers onder deze vissen hebben over het algemeen een torpedovormige lichaamsbouw.

3. Kleine bodemvissen
Deze vissen leven gewoonlijk in de minder snelle stroming bij de bodem of onder of achter stenen. Ze hebben over het algemeen een langgerekt, bij de kop enigszins afgeplat lichaam. Vertegenwoordigers van deze groep zijn o.a. het bermpje (max. lengte ca. 15 cm) en de riviergrondel (max. lengte ca. 20 cm).

(Bron: OVB)

QR Code Business Card